helpdesk

vrijdag, november 12, 2004

Evolutie: convergentie en divergentie

Vraag:
Wat is het verschil tussen convergentie en divergentie? Kunt u mij voorbeelden geven van convergentie en divergentie bij planten?

Reactie (niveau = 5 VWO):
Eerst even de begrippen op een rijtje:
  • Divergentie (letterlijk "uit elkaar gaan"):
    Bij divergentie zijn oorspronkelijk gelijke organen in verschillende richtingen ontwikkeld doordat de functie van de organen veranderde. Divergentie kan leiden tot homologe organen.
  • Homoloog:
    Homologe organen hebben eenzelfde bouwplan (ze zijn ontstaan uit dezelfde oervorm), maar uiteenlopende functies (en vormen).
  • Convergentie (letterlijk "samengaan"):
    Niet-verwante dieren hebben organen die sterk op elkaar lijken doordat ze zich aan dezelfde milieuomstandigheden hebben aangepast. Convergentie kan leiden tot analoge organen.
  • Analoog:
    Analoge organen zijn uit verschillende oervormen ontstaan, maar ze zijn op elkaar gaan lijken omdat ze dezelfde functie hebben.
Convergente evolutie
Niet alle planten die in de woestijn groeien zijn cactussen, alhoewel sommige er erg op kunnen lijken. Cactussen, die alleen in Amerika groeien, wolfsmelkachtigen (Euphorbia) uit Afrika of octopusbomen (Didierea) uit Madagascar zien er allemaal erg gelijkend uit. Afrikaanse aloe's en Amerikaanse agaves zien er ook bijna hetzelfde uit. De voorouders van deze planten leken totaal niet op elkaar. Onder invloed van de woestijn kregen ze allemaal gelijkaardige aanpassingen. Dit type van evolutie noemen we convergente evolutie.
(http://www.br.fgov.be/PUBLIC/GENERAL/EDUCATION/EDUCATIONNL/infoblad_droogteplanten.html)

Zie ook nog:
Ook het verwerven van speciale gifstoffen tegen vraat kan gezien worden als een convergentie.

Divergente evolutie
Voorbeelden van divergentie zijn er talrijke. Als een zelfde plantensoort zich aanpast aan verschillende omstandigheden, is dat terug te vinden in bijv. variaties in bladvorm en bladgrootte, bloemvorm, bloemgrootte en bloemkleur, etc.

Een voorbeeld is de zuring: Rumex sp.
Je hebt soorten die speciaal aangepast zijn om op droge dijken te groeien (R. acotossella) en die aangepast zijn aan regelmatig natte voeten (R. palustris en R. crispus).

Een ander voorbeeld zijn de Polygonum sp. (duizendsknoop familie):
P. aviculare (varkensgras) is een liggende, grasachtige plant die op droge gronden groeit, terwijl P. hydropiper (waterpeper) tot 50 cm hoog wordt en op vochtige plaatsen groeit.

Nog een leuke: de Ranonkel soorten.
De gletscher boterbloem of gletsjer hanevoet (naam hangt af van aan wie het vraagt) is een boterbloem die zo goed aangepast is aan het leven in de bergen, dat het de hoogst voorkomende bloeiende plant is en die toch direct familie is van bijv. de dotterbloem (waterplant), speenkruid (oeverplant) of kruipende boterbloemen (weide plant die met veel groene bladeren in matten groeit).
Zie voor een foto: http://nmga.bergsport.com/flora/kleineflora08.html

Voorbeelden bij dieren
De termen laten zich makkelijker uitleggen als je naar dieren kijkt. Daar zijn veel duidelijkere voorbeelden te vinden, omdat dieren veel mobieler zijn en dus vaker in andere leefomstandigheden terecht zijn gekomen.
Denk dan bij divergentie aan bijv. tekening op vleugels en lichaam van vlinders en zweefvliegen.
En bij convergentie aan de buideldieren in Australiƫ (de meesten kennen buidelloze familieleden en hebben de buidel pas "ontwikkeld" toen ze op Australiƫ daar voordeel van kregen).

Geen opmerkingen: